wasmachine-info.nl

Waar zoek je naar?

Typ om de artikelen te doorzoeken.

    Doe de keuzehulp

    Textiel wassen: zo kies je temperatuur en middel

    Bij textiel wassen werken vier dingen samen: het waslabel, de temperatuur, het programma en het wasmiddel. Het label trekt de grenzen. Binnen die grenzen kies jij. Maak je die keuze goed, dan komt je was schoon uit de machine en gaat je kleding een stuk langer mee.

    Vind de passende wasbeurt
    Twee wasmanden met lichte en donkere kleding naast een wasmachine.

    In het kort

    Textiel wassen draait om vier keuzes die bij elkaar moeten passen: het waslabel, het programma, de temperatuur en het wasmiddel. Het getal op het label is een maximum; de strepen eronder vragen om een mildere behandeling. Begin daar, en kijk daarna naar de kleur, vezel en vervuiling van je was.

    Voor veel dagelijkse was is een lagere temperatuur voldoende. Wit katoen met vlekken vraagt om een andere aanpak dan een wollen trui, en bij een besmettelijke ziekte kunnen extra hygiënevoorschriften gelden. Doseer volgens de verpakking: te weinig kan net zo goed problemen geven als te veel. Eco 40-60 kan energie besparen bij geschikte katoenen was, maar vervangt geen voorgeschreven wasbeurt op 60 °C. Hieronder zie je per situatie wat werkt, waar het mis kan gaan en hoe je je keuze bijstuurt.

    De 9 hoofdstukken
    01Kies je wasbeurt02Lees het label03Kies het middel04Doseer passend05Wanneer warm wassen?06Wat levert eco op?07Sorteren en beladen08Zoek het wasprobleem09Kijk naar de vezel

    Zo kies je de juiste wasbeurt

    Een goede wasbeurt begint bij het label en eindigt bij het wasmiddel. Het getal op dat label zegt hoe warm je maximaal mag wassen. De strepen eronder zeggen hoeveel beweging de stof verdraagt. Wat je daarbinnen instelt, en welk middel je pakt, mag je zelf weten. En dat middel telt zwaarder dan de meeste mensen denken.

    Alleen aan de temperatuurknop draaien helpt je dus weinig. Koud wassen kan prima gaan als wasmiddel, programma en vervuiling erbij passen. Ook een middel zonder bleek kan vuil verwijderen; bleek is vooral van belang voor bepaalde vlekken en toepassingen. In de tabel hieronder zie je per situatie welke combinatie past, en waar je op moet letten.

    Vier wassituaties: welke combinatie past?
    WassituatieProgramma en temperatuurWasmiddelZwakke punt
    Dagelijkse gekleurde katoenwasEco 40-60 bij normaal vuil en een label dat 40 of 60 °C toestaatKleurwasmiddel volgens de verpakkingNiet voor ieder materiaal of een label met maximaal 30 °C
    Wit katoen en was met hygiëne-eisVolg bij besmettingsrisico het gerichte hygiëneadvies; vaak een volledig 60 °C-programmaWitwasmiddel met zuurstofbleek, als het waslabel dit toestaatBleek is ongeschikt voor sommige kleuren en vezels; witmakers kunnen tinten veranderen
    Wol, zijde en fijn textielHet voorgeschreven wol- of fijnprogramma, met de bijbehorende beladingVoor wol en zijde: specifiek geschikt middel zonder bleekKleinere toegestane lading; prop de machine niet vol
    Sport- en functioneel textielPassend programma en temperatuur volgens het kledinglabelMiddel volgens kledingvoorschrift; meestal geen wasverzachterVerzachter kan de werking van functionele stoffen verstoren

    Het kledinglabel en de programmatabel gaan voor. Eco 40-60 is bedoeld voor geschikt katoen, niet voor alle gekleurde was.

    Botst het label met een vuistregel uit deze tabel? Dan wint het label. Lees anders de wasvoorschriften op het label nog eens rustig na.

    Het getal op het waslabel is een bovengrens

    Het getal in de wastobbe is de hoogste toegestane wastemperatuur. Het is dus geen opdracht om altijd zo warm te wassen. De wassymbolen zijn gestandaardiseerd in ISO 3758; GINETEX geeft er praktische uitleg bij. Een lagere temperatuur kan passen, zolang de was er voldoende schoon mee wordt. Hoger dan het label ga je niet.

    Lees het getal en de strepen samen. Het getal begrenst de temperatuur; één of twee strepen vragen om een milde of zeer milde behandeling. Dat gaat om het hele wasproces, niet alleen om het eindtoerental. Twee strepen betekenen dus niet simpelweg dat je de temperatuur lager zet. Kies een passend programma en houd je aan de bijbehorende belading.

    Het waslabel vertalen naar je machine
    Wat je zietWat de norm zegtWat je instelt (vuistregel)
    Getal in de tobbe (30, 40, 60)Hoogste toegestane wastemperatuurDat getal of lager
    Geen streepNormale mechanische belastingPassend normaal programma, belading volgens handleiding
    Eén streepVerminderde mechanische werking, voor kreukherstellend textielMild of kreukherstellend programma; beperk de lading volgens de handleiding
    Twee strepenZeer milde werking, voor wol en fijn textielPassend wol- of fijnprogramma; kleine lading volgens de handleiding

    De belading en centrifuge-instelling horen bij het gekozen programma. Een lagere eindstand alleen maakt een programma niet mild.

    De twee rechterkolommen doen iets anders. De ene legt het symbool uit, de andere helpt je een programma te kiezen. Een katoenprogramma wordt niet vanzelf een fijnwasprogramma doordat je de trommel halfvol laat of het toerental verlaagt. Zoek de passende combinatie in de handleiding van je machine.

    Een kruis door de wastobbe betekent: niet wassen. Verwar dat niet met alleen niet centrifugeren. De hand in de tobbe vraagt om handwas; stap alleen over op een machineprogramma als kleding- en machinevoorschrift dat toestaan. Naast wassen zijn er symbolen voor bleken, drogen, strijken en professionele reiniging. Bekijk bij twijfel de uitleg van de wassymbolen bij GINETEX.

    Welk wasmiddel kies je waarvoor?

    Voor wit katoen met lastige vlekken kan een witwaspoeder met zuurstofbleek handig zijn, als het label bleken toestaat. Voor bonte en donkere was kies je een kleurwasmiddel. Bleek en optische witmakers doen niet hetzelfde: bleek pakt bepaalde kleurstoffen aan, witmakers veranderen hoe wit een stof oogt. Voor wol en zijde neem je een specifiek geschikt middel. Sommige enzymen uit gewone wasmiddelen kunnen hun eiwitvezels aantasten.

    Dat bleeksysteem verklaart waarom de samenstelling ertoe doet. Natriumpercarbonaat geeft in water waterstofperoxide af. Een bleekactivator zoals TAED kan daarmee perazijnzuur vormen, waardoor zuurstofbleek ook bij lagere temperaturen beter werkt. Het is geen schakelaar die bij precies 30 of 60 °C aan gaat: concentratie, tijd en de rest van de formule tellen mee. Wat er in je fles of pak zit, helpt dus bepalen hoe koud je kunt wassen.

    Bij lage temperaturen lijken twee adviezen soms te botsen. Vloeibaar middel verdeelt zich makkelijk en is vaak handig voor gekleurde was. Een witwaspoeder kan juist een bleeksysteem bevatten voor bepaalde vlekken. De keuze hangt dus af van je wasgoed en het product, niet alleen van de temperatuur. Volg ook de aanwijzingen voor een kort of koud programma. Alle vormen op een rij, van capsules tot wasstrips, vind je bij soorten wasmiddel.

    Wasmiddel in poedervorm en een fles vloeibaar middel op een werkblad.
    Kies eerst het geschikte middel; bepaal daarna de dosering met de verpakking.

    Doseren: passend werkt beter dan royaal

    Vier dingen bepalen hoeveel je nodig hebt: hoe hard je water is, hoe vies de was is, hoeveel je in de trommel doet en welk programma je kiest. De eerste drie staan in de doseertabel op de verpakking. Volg ook eventuele aanvullende aanwijzingen voor je programma.

    • Waterhardheid. In Nederland wordt hardheid uitgedrukt in Duitse graden (°dH), waterbedrijven rekenen soms in mmol/l. Je drinkwaterbedrijf zet de hardheid per leveringsgebied online, dus zoek hem op je postcode op voordat je een dosering vastlegt. Bij hard water bindt kalk een deel van je wasmiddel. Doseer je dan te zuinig, dan wordt je was grauw.
    • Vuilgraad en belading. Zwaar vuil en een volle trommel vragen meer middel, een klein plukje licht vuile was minder.
    • Programma. Gebruik de doseeraanwijzingen voor het gekozen programma. Bij zichtbare resten kun je dosering en spoelen nalopen; onderdoseren is geen goede standaardoplossing.

    Te veel wasmiddel kan extra spoelen nodig maken. Sommige machines voegen bij te veel schuim automatisch een spoelgang toe; dat kost extra water en tijd. Resten kunnen je was stug laten aanvoelen. Witte strepen of zeepgeur zijn daarom reden om de dosering, belading en spoeling samen na te lopen. In onze uitleg over poeder en vloeibaar wasmiddel lees je meer over beide vormen.

    Wanneer moet je warm wassen?

    Warm wassen kan nodig zijn bij een besmettelijke ziekte of een specifieke hygiëne-eis. Welk voorschrift geldt, hangt af van de situatie. Bij was die bijvoorbeeld met ontlasting of braaksel is vervuild, adviseert het RIVM bij voorkeur 60 °C en daarna goed drogen volgens het advies. Voor je gewone T-shirt van gisteren is dat een andere afweging. Een schone was hoeft niet steriel te zijn.

    Keukendoekjes, was van zieke kinderen en beddengoed bij huisstofmijtallergie verdienen extra aandacht. Controleer of het textiel het aanbevolen programma aankan; kan dat niet, volg dan het gerichte alternatief van de zorgverlener of betrouwbare hygiënebron. Neem niet aan dat een koud programma met bleekmiddel een voorgeschreven warme was vervangt. Ook de woorden “hygiënisch schoon” op een verpakking vertellen op zichzelf niet welke ziekteverwekkers onder welke omstandigheden worden aangepakt.

    Is de eco-stand het waard?

    Ja, bij was waarvoor het programma bedoeld is kan Eco 40-60 een zuinige keuze zijn. Het is ontwikkeld voor normaal vervuild katoen dat volgens het label op 40 of 60 °C mag worden gewassen. Het is dus niet vanzelf geschikt voor een wollen trui of een shirt met maximaal 30 °C op het label.

    Hoeveel het scheelt, hangt af van je machine, belading en het programma waarmee je vergelijkt. Rekenvoorbeeld: gebruikt katoen 0,68 kWh en eco 0,55 kWh, dan scheelt dat 0,13 kWh. Bij een gekozen stroomprijs van € 0,40 is dat 5,2 cent per beurt, of € 5,20 bij honderd beurten. Dat zijn voorbeeldwaarden, geen algemeen testresultaat of actueel marktgemiddelde. De naam “40-60” garandeert bovendien niet dat het water werkelijk 60 °C wordt.

    Bij eco wordt zuinig wassen onder meer mogelijk door een langere programmaduur. Het juiste wasmiddel blijft daarbij nodig, ook als het geen bleek bevat. Spoelresultaten verschillen per machine, lading en dosering; “eco spoelt altijd slecht” is te stellig. Volg de doseertabel en beoordeel het resultaat. Blijven er resten achter, controleer dan eerst dosering en belading en gebruik zo nodig de extra spoeloptie. Voor een hygiëneadvies dat werkelijk 60 °C vraagt, kies je het daarvoor geschikte programma. Meer over de keuze lees je bij wasprogramma’s en zuinig wassen.

    Hoe sorteer en belaad je de trommel?

    Sorteer op kleur, op vezel, op hoe vies iets is en op pluisvorming. Kleur en vezel houden kleurdoorslag en krimp buiten de deur. Hoe vies de was is bepaalt je dosering en je programma. Pluisvorming vergeet bijna iedereen, terwijl badstof pluis afgeeft dat zich vastzet op donkere synthetische stof.

    Vul de trommel passend bij het programma. In een propvolle trommel kan het wasgoed niet goed bewegen en spoelen, en dan blijven vuil en zeep achter. Een wol- of fijnprogramma mag doorgaans veel minder hebben dan katoen: de kilogrammen in de programmatabel zijn hier nuttiger dan een vaste halve trommel. Die kleinere lading is nodig om de stof te beschermen. Doe beugelbeha’s in een geschikte waszak en sluit ritsen. Een hoger toegelaten toerental kan droogtijd schelen, maar volg ook hierbij het kledingvoorschrift. Een extra spoelbeurt kan helpen bij achterblijvende resten; hij lost een te volle trommel niet op.

    Waar komt jouw wasprobleem vandaan?

    Bij wasproblemen verraadt de klacht zelf waar je moet zoeken. Een muffe geur komt ergens anders vandaan dan een grauwsluier, en krimp weer uit een andere hoek. Zoek eerst het patroon. Komt de klacht terug bij één soort wasgoed, bij één programma, of bij alles? Pas daarna verander je één ding.

    • Muffe geur in schone was. Veel koud en kort wassen kan bijdragen aan ophoping van vuil in de machine. Ook lang nat laten liggen speelt mee. Volg het onderhoudsprogramma van je machine en haal de was na afloop uit de trommel.
    • Grauwsluier. Vuil en kalk slaan opnieuw neer in de vezel, bijvoorbeeld doordat je bij hard water te weinig doseert. Vergeling van wit is iets anders: dat is vaak restje zweet of verzorgingsproduct. Controleer dosering én het soort vlek voordat je meer middel toevoegt.
    • Stugge handdoeken. Wasmiddelresten kunnen meespelen, maar ook waterhardheid en de manier van drogen. Controleer de dosering en probeer zo nodig extra spoelen.
    • Krimp of vervilting. Te veel warmte of beweging kan vezels beschadigen; wol kan vervilten. Ook drogen kan krimp geven. Kijk dus naar de hele behandeling, niet alleen naar het toerental.
    • Pilling. Losse vezeluiteinden knopen door wrijving tot bolletjes, vooral bij gemengde en synthetische weefsels. Binnenstebuiten wassen en minder wrijving kunnen helpen. Een waszak kan kwetsbare stukken beschermen, maar voorkomt niet alle pilling.

    Ligt het niet aan je wasgewoonte maar aan de machine, dan lopen de sporen naar het zeepbakje en de rubber manchet. Blijft je machine zelf ruiken, bekijk dan de oorzaken en oplossingen bij een stinkende wasmachine.

    Welke wasaanpak hoort bij welke vezel?

    Elke vezelgroep gaat op zijn eigen manier kapot, en daar pas je je wasbeurt op aan. Een algemene temperatuurtabel per vezel klopt vaak niet, want de afwerking en de menging bepalen mee wat een stof verdraagt. Het getal op dat ene kledingstuk is dus leidend. Wat je wél per groep kunt voorspellen, is waar het misgaat.

    • Katoen en linnen. Sterk en makkelijk te wassen, maar gevoelig voor krimp als de stof geen krimpvrije behandeling heeft gehad.
    • Wol en zijde. Bij wol kan de combinatie van warmte en wrijving vervilting geven. Zijde vraagt ook een milde aanpak, maar vervilt niet op dezelfde manier.
    • Synthetisch en sportkleding. Risico is vastgehouden zweetgeur en hitteschade.
    • Dons en outdoor. Risico is een dichtgeslagen vulling of een aangetaste waterafstotende laag; hiervoor bestaan aparte speciaalmiddelen.
    • Viscose en lyocell. Fijne vezels die weinig mechanische belasting verdragen; kijk hier vooral naar de strepen onder de tobbe.

    Bij wol is er nog iets dat tegen je gevoel in kan gaan. Een passend, toegestaan wolprogramma behandelt de stof gecontroleerd, terwijl je bij handwas al snel te veel wrijft of wringt. Dat betekent niet dat iedere handwastrui zomaar in iedere machine mag. Volg het kledinglabel en de goedkeuring van het programma. Was je met de hand, behandel de trui dan rustig en druk water eruit zonder te wringen.

    Synthetisch textiel laat tijdens het wassen microvezels los. Was niet vaker dan nodig en vermijd onnodige wrijving. Een gewone waszak beschermt kleding, maar is niet automatisch een microvezelfilter. Wil je vezels opvangen, kijk dan specifiek naar een daarvoor bedoeld product en de gebruiksaanwijzing.

    Wollen trui ligt plat op een handdoek over een droogrek.
    De zorg voor je textiel stopt niet na de was: ook het droogvoorschrift telt.

    Kies bewust
    uit je programma’s

    Katoen, wol, fijnwas en eco hebben ieder hun eigen belading en toepassing.

    Bekijk de wasprogramma’s