Wassen was eeuwenlang een dagtaak, en dat werk kwam volledig neer op vrouwen. Ze deden het aan de rivier, in openbare washuizen en later met handbediende toestellen zoals de Franse Barboteuse uit 1898. In 1851 kreeg James King patent op de eerste trommelwasmachine, en op dat principe draait je machine nog steeds. De Thor uit 1907 was de eerste elektrische wasmachine die je echt kon kopen. De Bendix maakte in 1937 de hele wasbeurt automatisch. In de jaren 50 en 60 werd de wasmachine betaalbaar voor gewone gezinnen. Historici noemen dat een van de belangrijkste aanjagers van de emancipatie van de vrouw. De schade aan het milieu verschoof mee: eerst vervuild rivierwater, daarna wasmiddel vol fosfaat, nu de microplastics. Wassen berust altijd op vier factoren: beweging, warmte, wasmiddel en tijd. Zuinige machines van nu ruilen vooral warmte in voor tijd.
Er zitten vier grote sprongen in dat verhaal. Eerst nam een machine de beweging over van de handen (1767-1851). Daarna nam een elektromotor het draaien over van de arm (1901-1920). Vervolgens ging de machine ook uitwringen en centrifugeren (vanaf 1927). En als laatste kwam de programmaschakelaar, waardoor je niet meer naast je machine hoefde te blijven staan (1937).
Bij elke stap verschuift het accent tussen dezelfde vier wasfactoren: beweging, warmte, wasmiddel en tijd. Aan de rivier deden beweging en tijd bijna al het werk. De trommelmachine nam de beweging over, en het synthetische wasmiddel uit de jaren 50 zette de chemie flink harder aan het werk. De zuinige machine van nu draait dat deels weer terug. Minder warmte, minder beweging, en dat compenseert hij met veel meer tijd.
| Jaar | Gebeurtenis | Wat het de gebruiker opleverde |
|---|---|---|
| ~2800 v.Chr. | Vroege beschavingen gebruiken plantaardige as als reinigingsmiddel | Een gratis reinigingsmiddel, waar zeep onbetaalbaar was |
| 1767 | Jacob Christian Schäffer beschrijft een wasmachine-ontwerp | Het idee dat een machine het handwerk kan overnemen |
| 1797 | Nathaniel Briggs dient het eerste wasmachinepatent in (VS) | Een hendel in plaats van schrobben op een wasbord |
| 1851 | James King patenteert de eerste trommelwasmachine | Tuimelen in plaats van schrobben; veel minder kracht nodig |
| 1861 | Verbeterde versie van Kings machine, met wringer | De machine wringt uit, niet meer de handen |
| 1901 | Alva John Fisher bouwt een vroege elektrische wasmachine | De motor draait, de wasser niet meer |
| 1907 | “Thor” wordt de eerste elektrische wasmachine op de markt | Voor het eerst gewoon te koop, niet alleen op papier |
| 1920 | Waterdichte elektromotoren met twee snelheden | Veilig dagelijks gebruik, en wassen én centrifugeren in één toestel |
| 1927 | Eerste machine met ingebouwde centrifugefunctie | Geen overhevelen meer naar een losse centrifuge |
| 1937 | Bendix ontwikkelt de eerste volledig automatische wasmachine | Wassen, spoelen en centrifugeren zonder toezicht |
| Jaren 50-60 | De wasmachine wordt betaalbaar voor gewone Nederlandse huishoudens | Het einde van de wasdag als vaste weekdag |
| Jaren 80 | Microprocessors en drukknoppanelen vervangen de mechanische tijdklok | Programma’s kiezen in plaats van een klok instellen |
| Heden | Zuinige programma’s die lauwer en langer wassen | Lagere rekening, langere wastijd |
Wassen was handwerk waar je een hele dag mee bezig was. Wasvrouwen zaten op hun knieën aan een beek of rivier en wreven het linnengoed over stenen of een houten wasbord. Zat er een vlek in, dan ging er zand bij. Daarna wrongen ze alles met de hand uit en sloegen ze er met een houten klopper op, om het laatste water eruit te krijgen. Zwaar genoeg om er een apart beroep van te maken.
Voor het reinigen zelf pakten mensen eeuwenlang wat gratis was, want zeep kostte veel te veel om je hele was mee te doen. Die simpele rekensom stuurt eigenlijk de hele geschiedenis van het wassen.
Hier waste niemand elke dag een beetje. De was hoorde bij één vaste dag in de week, de wasdag, en dat was meestal maandag. Die dag begon met waskoken: het witgoed ging in een grote ketel op het vuur. Warmte en tijd deden daar het werk dat wij nu overlaten aan wasmiddel en aan de trommel.
Daarna kwam het schrobben op het wasbord, gevolgd door uitwringen met de hand of door de mangel. Bleken was de laatste stap. Het natte linnen ging uitgespreid op de bleek, een grasveld waar de zon en het vocht de laatste vlekken uit de stof haalden. Regende het, dan lag je wasdag in duigen.
AEG PowerCarescore 8,8In gegiste urine zit ammoniak, en dat spul haalt vet en vuil los en bleekt linnen. Bovendien was het gratis, terwijl geïmporteerde zeep onbetaalbaar was zodra je grote hoeveelheden nodig had. Keizer Vespasianus rook er zelfs belastinggeld in. Daar komt de uitdrukking Pecunia non olet vandaan, oftewel “geld stinkt niet” (bron: Suetonius, De Vita Caesarum).
Wat vooral opvalt, is hoe lang mensen hiermee doorgingen. Nog in de negentiende en vroege twintigste eeuw haalde de Britse textielindustrie ammoniak uit urine om wol te ontvetten (bron: Jenkins, D.T., The Cambridge History of Western Textiles). Wasvrouw, strijkster en perser waren in die tijd doodgewone beroepen in elke stad.
Daar zaten twee redenen achter: hygiëne en water. Dorpelingen haalden hun water uit putten. In een tijd dat cholera, pokken en tyfus een heel dorp konden platleggen, was besmet waswater levensgevaarlijk. Daarom legden overheden geld bij voor de bouw van washuizen. Had een dorp er veel, dan gold het als welvarend.
Ondertussen waren die washuizen ook gewoon gezellig. Vrouwen kwamen er minstens één keer per week bij elkaar, en het washuis kreeg al snel de bijnaam praathuis van het dorp.
Zodra er stromend water in de huizen kwam, verdwenen ze langzaam. De trucs die wasvrouwen daar hadden uitgevonden, vormden wel de inspiratie voor de eerste prototypes van de wasmachine.
Niemand in zijn eentje. De wasmachine is een keten van patenten en verbeteringen tussen 1767 en 1937, waarin steeds iemand één deelprobleem oploste: de beweging, de aandrijving, het uitwringen en helemaal aan het eind het toezicht. Zoek je “de uitvinder”, dan kom je bij een andere naam uit afhankelijk van wat je precies bedoelt.
De Duitse wetenschapper Jacob Christian Schäffer zette in 1767 de eerste serieuze stap. Hij publiceerde een uitgewerkt ontwerp voor een machine die het handwerk moest overnemen (bron: Deutsches Museum, München). Het eerste officiële patent kwam op 31 maart 1797, toen de Amerikaan Nathaniel Briggs zijn ontwerp liet vastleggen bij het United States Patent Office.
Die nam alleen het bewegen over. De rest deed je nog steeds zelf. In 1898 kwam de Franse fabrikant Flandria met de “Barboteuse”. Je kookte de was eerst voor en behandelde hem voor met houtas, rijk aan potas. Daarna ging het wasgoed erin, draaide je het wiel rond en liet je het vuile water weglopen via een lip aan de zijkant.
Zo zie je de vier wasfactoren netjes verdeeld liggen. Warmte en wasmiddel regelde je vooraf met de wasketel en de as. De machine deed het bewegen. En de tijd leverde je zelf, met je arm aan die slinger. Voor een gezin zonder personeel was dit de eerste machine waarmee thuis wassen echt kon, zonder dat je naar het washuis moest.
Aan het begin van de twintigste eeuw. In 1907 zette de Hurley Electric Laundry Equipment Company de Thor op de markt, de eerste elektrische wasmachine die je gewoon kon kopen. Toch duurde het tot ongeveer 1920 voordat elektromotoren waterdicht waren en twee snelheden hadden, één om te wassen en één om te centrifugeren. Vanaf dat moment was elektrisch wassen pas veilig genoeg voor dagelijks gebruik.
De stap van hand naar motor is de grootste doorbraak in het hele verhaal, want vanaf toen kostte het bewegen van de was jou geen kracht meer. Daarna ging het hard. In 1908 richtten Joe Barlow en John Seeling het bedrijf op dat later Speed Queen ging heten. In 1911 verbeterden zij de elektrische aandrijving, en in 1915 kwam Speed Queen met de eerste wringer die meerdere kanten op kon.
Naar de maatstaven van nu waren die dingen ronduit onveilig. De twee grootste risico’s: een schok krijgen en de wringer. Bij de eerste elektrische machines was de motor niet waterdicht, dus kortsluiting was heel normaal. Pas rond 1920 kwamen er waterdichte elektromotoren.
De wringer stond bekend om nare ongelukken, met handen en armen die tussen de rollen kwamen. Een noodontkoppeling of beveiliging zoals wij die kennen zat er niet op, en de rollen draaiden gewoon door. Ook het bedienen zelf vroeg om je volle aandacht. Je bleef bij de machine staan, hevelde kokend water over en pakte het natte wasgoed met je handen aan. Een deurvergrendeling, een aardlekschakelaar in de meterkast en een automatische stop kwamen pas veel later.
Er bestaan drie types, en het verschil zit vooral in twee dingen: hoeveel water ze slurpen en hoeveel werk ze bij jou laten liggen. De wringermachine wast en wringt in twee losse handelingen. De agitator-bovenlader duwt het wasgoed met een roerwerk door een kuip vol water. De trommel-voorlader laat het wasgoed tuimelen door een bodempje water, en dat water verwarmt hij zelf.
| Kenmerk | Wringer / mangel | Agitator-bovenlader | Trommel-voorlader |
|---|---|---|---|
| Beweging | Roeren of slingeren, daarna rollen | Roerwerk beweegt het wasgoed rond | Horizontale trommel laat het wasgoed tuimelen |
| Water in de kuip | Handmatig vullen en aftappen | Kuip staat vol water | Bodempje water, wasgoed valt erdoorheen |
| Warm water | Zelf voorkoken en overhevelen | Doorgaans warm water uit de kraan | Machine verwarmt koud aanvoerwater zelf |
| Water- en energiegebruik | Hoog, en volledig handmatig geregeld | Meer water per beurt, kortere programma’s | Zuiniger met water en warmte, langere programma’s |
| Ruimte | Losse machine plus mangel of centrifuge | Vullen van bovenaf, dus ruimte erboven nodig | Vullen van voren, onderbouwbaar en stapelbaar |
| Wat het van de gebruiker vroeg | Vullen, overhevelen, wringen, aftappen: doorlopend toezicht | Wasgoed erin en eruit, water komt van de kraan | Deur dicht, programma kiezen, verder niets |
| Waar en wanneer dominant | Huishoudens zonder waterleiding, tot midden twintigste eeuw | Verenigde Staten, tot op heden | Europa, vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw |
Dat is geen technische kwestie, maar een kwestie van hoe mensen wonen. De agitator past bij goedkoop water, warm water dat zo uit de leiding komt en huizen met ruimte. Dat is het Amerikaanse plaatje. De trommel past bij dure energie, kleine woningen en water dat koud binnenkomt. Dat is Europa. Een machine die zijn eigen water moet opwarmen, wil er zo min mogelijk van gebruiken.
En precies daar komt het gedrag van jouw machine vandaan. Weinig water en een zacht tuimelende trommel betekenen minder beweging en minder warmte. Dat moet ergens vandaan komen, dus wint de machine het terug met contacttijd. Daarom wast een Europese wasmachine lang en lauw. Geen ontwerpfout dus, maar het logische gevolg van een keuze die Europa ruim vijftig jaar geleden maakte.
Iemand heeft geprobeerd het juist over de andere boeg te gooien. Dyson bracht een wasmachine uit met twee trommels die tegen elkaar in draaiden, het model CR01. Technisch knap, maar commercieel een flop: te duur en te ingewikkeld, en na een paar jaar uit productie. De markt loste hetzelfde probleem op met de goedkoopste middelen die er zijn, tijd en wasmiddel, in plaats van met meer mechaniek.
De droger kwam na de wasmachine, en in Nederland duurde het nog veel langer voordat iedereen er een had. Logisch ook, want drogen kostte niets. Een waslijn, een zolder en een beetje wind deden het gratis, terwijl wassen zwaar lichamelijk werk was dat je met geld kon wegnemen.
Wringer, centrifuge en droogtrommel zijn drie antwoorden op precies hetzelfde probleem: hoe krijg je het water uit textiel? De wringer perste het eruit met rollen. De centrifuge slingerde het eruit. Pas daarna haalde de droogtrommel het laatste vocht weg met warme lucht. Omdat de centrifuge het grootste deel er al gratis uit had gehaald, bleef er voor de droger weinig over, en die kleine rest kostte veel stroom. De winst was dus stukken kleiner dan bij een wasmachine. Daarom brak de droger zoveel later door.
In de jaren vijftig en zestig, met de semi-automatische machine halverwege de jaren zestig als kantelpunt. Harde cijfers van vóór 1972 zijn er niet. De officiële CBS-reeks over het bezit van duurzame goederen begint namelijk pas in dat jaar (CBS-tabel 37926, “Duurzame goederen; bezit naar huishoudenskenmerken, 1972-2004”). De tellingen starten dus pas als de wasmachine allang normaal is. Daarom grijpen bijna alle pagina’s over dit onderwerp naar Amerikaanse en Franse jaartallen.
Vlak na de oorlog had maar een klein deel van de Nederlandse huishoudens een wasapparaat. In de jaren vijftig en zestig groeide dat uit tot iets wat iedereen had. Ter vergelijking, met cijfers die wél kloppen: in 1967 had 44% van de Franse huishoudens een wasmachine, en tien jaar later 74% (bron: INSEE, Frans statistisch bureau).
De machine bestond al tientallen jaren. Wat ontbrak, was het huis eromheen. Er moest een hele reeks dingen op zijn plek vallen, en dat lukte pas na de oorlog:
Miele opende rond 1955 een vestiging in Nederland en groeide al snel uit tot een van de populairste merken. Stork, een Nederlandse machinefabrikant, leverde industriële wasapparatuur aan wasserijen en ziekenhuizen.
De wasmachine haalde het zwaarste lichamelijke werk uit het huishouden weg. Dat gaf vrouwen tijd voor een opleiding, voor werk buitenshuis en voor zichzelf. Historici zien hem als een van de belangrijkste aanjagers van de emancipatie van de vrouw in de twintigste eeuw. Econoom Ha-Joon Chang schrijft in 23 Things They Don’t Tell You About Capitalism (2010) zelfs dat de wasmachine de samenleving meer heeft veranderd dan het internet.
Er hoort wel een kanttekening bij. Naarmate wassen makkelijker werd, gingen mensen ook vaker wassen, en de eisen aan schone kleren gingen omhoog. Per wasbeurt was de winst enorm. Hoeveel tijd er per week echt overbleef, is lastiger te zeggen dan die standaardclaim doet vermoeden.
Een moderne wasmachine gebruikt zo’n 45 tot 60 liter water per beurt. Machines van een paar decennia geleden zaten richting de 80 liter. Aan stroom gaat er tussen de 0,2 en 1,75 kWh per beurt doorheen, afhankelijk van het programma en de machine. Op een zuinig programma zit een moderne machine rond de 0,45 kWh (peildatum 2026). De zuinigste machines van vandaag verbruiken per wasbeurt ongeveer de helft van een machine uit 1990.
Die bandbreedte van 0,2 tot 1,75 kWh loopt over programma’s én machines heen, en daar zit het interessante nieuws. Welk programma je kiest, weegt zwaarder dan dertig jaar techniekontwikkeling. Reken je met vier wasbeurten per week, als voorbeeld en niet als gemeten gemiddelde, dan scheelt het verschil tussen 80 liter en 45 tot 60 liter ongeveer 4.000 tot 7.000 liter water per jaar.
Omdat de machine warmte inruilt voor tijd. Het energielabel meet op het Eco 40-60-programma met een volle trommel, en juist dat programma bespaart door lauwer en langer te wassen. Het opwarmen van het water kost verreweg de meeste energie. Het ronddraaien van de trommel stelt daarbij weinig voor.
Dat lange ecoprogramma is dus geen ontwerpfout. Het is dezelfde ruil die wassen ooit een dagtaak maakte: zet je minder warmte, beweging of wasmiddel in, dan moet tijd het verschil goedmaken.
In de beginjaren spuiden wasserijen hun zeepwater zo de rivieren en kanalen in. Er gingen vissen dood en het water raakte vervuild. De synthetische wasmiddelen uit de jaren 50 maakten het anders, niet beter. Fosfaten leidden tot eutrofiëring: algen gingen woekeren en haalden de zuurstof uit het water. Vanaf de jaren 80 werd wasmiddel zonder fosfaat in steeds meer Europese landen verplicht.
Bij microvezels zie je precies hetzelfde patroon terug. Bij elke wasbeurt laat synthetische kleding zoals polyester, nylon en acryl kleine vezels los in het afvalwater. Zuiveringsinstallaties vangen daar een groot deel van af, afhankelijk van de techniek ongeveer 60 tot 99% (bron: overzichtsstudies in MDPI Water 2022 en Applied Sciences 2021). Alleen belandt ongeveer 95% van wat ze afvangen in het zuiveringsslib. Het is dus uit het water, maar niet uit het milieu. Frankrijk legde in de anti-verspillingswet AGEC uit 2021 vast dat nieuw verkochte wasmachines vanaf 2025 een microvezelfilter moeten hebben. De technische uitwerking bleef alleen uit, dus in de praktijk werkt die plicht nog lang niet overal door.
Kijk naar de bediening en naar de manier waarop het water eruit gaat. Aan vier zichtbare kenmerken hangt telkens een mijlpaal uit de tijdlijn hierboven. Het precieze bouwjaar haal je van het typeplaatje.
Let ook op hoe hij gebouwd is. Geëmailleerd plaatstaal en een zware, simpele kuip wijzen op een oudere machine. Het typeplaatje met het type- en serienummer zit meestal op de achterkant, in de deuropening onder de rubberrand of achter het klepje van het pompfilter. Met dat serienummer kan de servicedienst van de fabrikant je vertellen uit welk jaar hij komt.
Jouw machine is een trommelmachine met een programmaschakelaar. Dat zijn precies de twee keuzes uit 1851 en 1937. Wat daarna veranderde, is niet het principe, maar de verdeling tussen de vier wasfactoren. Vanaf de jaren 80 nam elektronica het over van de mechanische tijdklok, en pas toen kon je warmte en beweging fijn doseren.
Drie oude ruilen zie je nu nog dagelijks terug. Zuinig wassen betekent lang wassen, want tijd is het goedkoopste dat er is. Een hoger centrifugetoerental scheelt droogtijd, maar vraagt een zwaardere en dus duurdere constructie. En een machine die zelf koud water opwarmt, gebruikt liever weinig water. Dat is die Europese keuze, en die staat nog steeds in je bijkeuken.
Hoe een moderne machine dat allemaal regelt, van sensoren tot dosering en het type motor, lees je in de uitleg over de werking van een wasmachine, over automatische wasmiddeldosering en over koolborstelloze motoren. Wat je ook merkt: een moderne machine centrifugeert duidelijk stiller dan vroeger. Wat op deze site als stil telt, staat op de pagina over de stille wasmachine.
Het eerste patent op een wasmachine dateert van 31 maart 1797, op naam van de Amerikaan Nathaniel Briggs. Een ouder ontwerp op papier verscheen in 1767 van Jacob Christian Schäffer. De trommelwasmachine zoals wij die kennen kreeg in 1851 patent.
Ga je uit van het eerste patent, dan is hij ruim tweehonderd jaar oud. De elektrische wasmachine is een stuk jonger, want die is sinds 1907 te koop. De volautomaat bestaat sinds 1937.
Niemand in zijn eentje. Schäffer bedacht het ontwerp (1767), Briggs kreeg het eerste patent (1797), King patenteerde de trommel (1851), Fisher wordt genoemd bij de elektrische machine (1901, al is dat betwist) en Bendix maakte hem volautomatisch (1937).
De Thor van de Hurley Electric Laundry Equipment Company, vanaf 1907. De motor was in het begin niet waterdicht, dus kortsluiting kwam regelmatig voor.